De tunnel van Somme-Py tijdens de Eerste Wereldoorlog (deel 4 en slot)

> vervolg van deel 3

Het einde van de tunnel. De geallieerde bevrijdingsoffensieven 1918.

RIR37-Tunnel SommePy

Reserve Infanterie Regiment 37 Tunnel Somme-Py

De Duitsers zijn altijd bevreesd geweest dat de tunnel van Somme-Py in Franse handen zou vallen. Niet alleen zou hij beschutting bieden voor de vijand zoals hij nu in dienst stond van de eigen troepen, maar de weg die over de tunnel heen liep vormde een belangrijke verbinding in noordelijke richting. Als een brug over de gracht die de insnijding van de spoorlijn in het landschap maakte.

In 1917 werd een plan gemaakt door het 12e Legerkorps dat toen de sector bezette, voor de vernieling van de tunnel die moest plaatsvinden indien de Duitsers genoodzaakt waren het gebied te ontruimen. Dit plan werd opgesteld door de staf van Pionierbataljon 354, in april 1917, en behelsde een totale vernieling van de tunnel aan beide uiteinden en in het midden over een lengte van 12 meter, en met in totaal 28 springladingen. De voorbereidingen bestonden uit het maken van ruimtes voor het plaatsen van de springstof en nissen waarin het benodigde materiaal kon worden opgeslagen. Men dacht 1500 kilogram springstof nodig te hebben die in nissen in de Risse-Stollen werd opgeslagen, samen met 60 ontstekers, 700 meter blank draad en 2000 meter geïsoleerd draad. Twee apparaten voor het activeren van de ontstekers en een leidingtestapparaat werden opgeslagen bij de verantwoordelijk officier die in de buurt van de tunnel woonde. De uitvoering van dit voorbereidingsplan werd in 15 dagen tot stand gebracht door 40 Pionieren van Reserve Pionierkompagnie 51.

Sprengplan

Het Sprengplan van de tunnel, gemaakt in april 1917. Met cirkels zijn de plaatsen aangegeven waar de springladingen werden geplaatst. De verticale rechte lijnen halverwege de tunnel zijn de Risse- en Schoppe-Stollen. Diagonaal daaroverheen loopt de Engelbrechten-Straße.

Van een vernieling van de tunnel is het in 1917 nog niet gekomen. Maar in september 1918 lanceerden de Fransen hun bevrijdingsoffensieven en waren de Duitsers genoodzaakt het gebied te ontruimen. In deze periode is de tunnel daadwerkelijk, hoewel slechts gedeeltelijk opgeblazen.

Fragmenten uit het sterk geromantiseerde verslag dat Eisenbahn-Pionier Hanns Trautner zo’n twintig jaar nadien schreef:

“De augustusmaand van 1918 liep op zijn eind, toen de compagniescommandant een commando van twee onderofficieren en twintig man samenstelde onder leiding van Feldwebel Keidel. Het commando had de taak om bij de te verwachten Franse aanval en de terugtrekking van het Duitse front, de spoortunnel van Somme-Py te vernielen door hem geheel op te blazen. De voorgenomen vernieling had tot doel de op deze plaats over het spoor kruisende Engelbrechten-Strasse te onderbreken en tegelijk een verdere benutting van de spoorlijn vanuit Reims onmogelijk te maken. (…)
Wij hakten 32 kamers in de zijwanden waarin twee man gebukt konden bewegen, en stopten deze holen en een grote kamer in het dak van het gewelf vol met 22 ton springstof. Daarna werden de ladingen met kabels met elkaar verbonden en de ruimtes met zandzakken stevig afgedamd. Tijdens deze werkzaamheden was het front verhoudingsgewijs kalm. Het dal waar de spoorlijn door voerde, lag in diepe rust.”

In de middag van 25 september waren de werkzaamheden klaar. Dezelfde dag nog brak het Franse offensief los. Met ordonnansen werd een regelmatige verbinding onderhouden tussen Pioniercommando en de staf van Infanterieregiment 4 aan het front, om het sein voor het opblazen over te brengen. Trautner probeerde samen met een andere Pionier op de avond van de 25e de commandant van Infanterieregiment 4 te bereiken die zich enige kilometers verder zuidelijk moest bevinden. Door het vijandelijke trommelvuur lukte het niet de regimentsstaf te bereiken. Onderweg kwamen ze gewonden tegen die ze aanraden terug te keren en een schuilplaats op te zoeken. Ze gingen terug en bereikten de betonnen Sanitätsunterstand aan de spoordam, waar alles nog in orde was.

“Ik ging naar Feldwebel Keidel en meldde ons van onze tevergeefse meldingstocht terug. De troep stond alarmbereid klaar. Zes man stonden in de tunnel op wacht om te verhinderen dat terugtrekkende eenheden daar een schuilplaats zouden zoeken. Alle telefoonleidingen waren reeds een kwartier na aanvang van het trommelvuur kapotgeschoten, ook de verbinding naar de compagnie. Voor het aanbreken van de dag viel niets te ondernemen. De belangrijkste zorg was er voor te zorgen dat de leidingen naar de ontsteking in orde bleven. Het punt waar vanaf de lading ontstoken zou worden lag 700 meter westelijk van de tunnel. Een reserveleiding liep door de van het midden van de tunnel naar het noorden lopende Stollen. [Risse-Stollen].”

De volgende morgen:

Krieg-auf-Schienen

Krieg-auf-Schienen, het boekje waarin de herinneringen van Hanns Trautner gepubliceerd werden.

“Van alle kanten uit de richting van het front zagen we eenlingen en kleine groepen manschappen aankomen die achter de spoordam of in de tunnel dekking zochten. Het waren vooral artilleristen. Van een van hen hoorden we dat de batterijen kapotgeschoten waren, vele hadden hun stukken, vooral de zware, opgeblazen, andere waren ergens blijven steken. De infanterie zou op geordende terugtocht zijn. Dat was voorzien. Maar westelijk van station Somme-Py, waar een overgangsmogelijkheid bestond zoals ook over de brede kolonneweg over de tunnel, over de Engelbrechtenstrasse, lag dermate waanzinnig spervuur, dat zelfs de weinige voertuigen die onderweg waren over andere wegen vertwijfelde pogingen waagden.

Wij vernamen dat de artillerie nog slechts op 2,8 kilometer schoot. Onze Feldwebel stuurde daarom nog eenmaal twee man naar de regimentsstaf 4. Dat was tegen acht uur. Beide kwamen kort daarna onverrichter zake terug, en kameraad Keidel deed zelf een poging door het spervuur te komen, met als resultaat een volledig afzien van dit voornemen. Hij wilde nu proberen het bevel voor het opblazen van een andere regimentsstaf te krijgen die ongeveer 400 meter westelijk van de tunnel lag en stuurde een Pionier daarheen met een bericht van de situatie en het feit dat met regiment 4 elke verbinding ontbrak. De groep werd opnieuw ingedeeld want we voelden dat de gebeurtenissen een climax naderden. Hoe langer met het opblazen gewacht werd des te groter het gevaar dat mensen op de terugtocht zich in de tunnel verzamelden en mogelijk mee de lucht in gingen. Ook bestond geen garantie meer voor het functioneren van de ontstekingsleiding. De hoofdleiding was al volledig verdwenen, de reserveleiding telkens weer beschadigd door de meer en meer instortende Stollen. Als het opblazen niet zou lukken dan kreeg de vijand het voordeel van een brede spoorovergang. Werd er echter te vroeg opgeblazen dan werd de eigen terugtocht een waardevolle doorgang ontnomen. Die strategie maakte tijdig handelen noodzakelijk. De strijdende troep moest alle voordelen kunnen benutten en mocht ook moreel niet belast worden, wat door een vroegtijdige vernieling ongetwijfeld zou gebeuren.

Onze zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Onze ordonnansen brachten van de naburige gevechtsleiding het bericht terug dat de stelling nog werd gehouden maar dat het explosieven-commando maar naar eigen goeddunken moest handelen. Door de dikke mist was het echter uitgesloten het terugtrekkende gevecht te volgen. In het waanzinnige tumult was het eigen woord niet te verstaan, laat staan dat het mogelijk was van voren komende soldaten te ondervragen. Het lukte de reserveleiding te repareren en als gebruiksklaar te testen. Een man werd hierbij gewond, anderen tuimelden als gummiballen door de luchtdruk van de inslagen.

De gasdampen trokken op en hadden geen uitwerking, het zicht werd helderder. Infanteristen met een officier kwamen bedrukt terug met de verklaring dat het front doorbroken was en de Fransen in aantocht. Feldwebel Keidel liet opnieuw de tunnel ontruimen. Met krijt werd op planken de woorden geschreven: TUNNEL WORDT OPGEBLAZEN ! en droegen ze lopend mee naar de uitgangen aan beide zijden. Keidel stelde wachtposten op bij de tunnel en bij de ontstekingsleiding, die met de resterende kabel 50 meter naar het noorden verlengd werd. Er was een teken afgesproken vanaf de plaats van de afvuurknop, die de commandant zelf in de hand hield, waarop de wachtposten zich van binnen naar buiten te verwijderen hadden.

Het signaal kwam. Wij gingen naar de uitgangen. Buiten was de hel los. MG vuur hamerde. Een zware treffer sloeg in de spoordam. Over dansende spoorstaven en bielzen vluchtte een groep infanteristen op de ingang van de tunnel toe. Ik had niet eens in de gaten dat ik samen met Franz een plank droeg. We hielden hem omhoog en toonden de kameraden het opschrift: WORDT OPGEBLAZEN ! Achter hen loeide iets naderbij. Ze drongen zich aan ons op. Frans leken de ogen uit de kassen te rollen. Wij slingerden de plank van ons af in de richting van de troep, sprongen en sleurden de anderen achter de dekking. De dekking viel boven op ons. We kropen op handen en voeten tegen een helling op. Daar boven nam onze infanterie al stelling. We zagen kameraad Keidel in een gat in de grond hurken en wild met zijn arm in het rond slaan. We keken een seconde om en zagen het in het dal daarginds een grijsblauwe wolk opstijgen.”

De tunnel was in de lucht gevlogen. Het verslag maakt geen melding van het precieze resultaat van de explosie. Hiervoor zijn we aangewezen op de Fransen, want zij passeerden de spoorlijn en de tunnel of wat er nog van over was. Franse bronnen meldden dat nog 80 meter van de in totaal 500 was blijven staan. Op 27 september werden door eenheden van de Franse 43e Infanteriedivisie nog 300 Duitsers gevangengenomen die zich hierin schuilhielden.

Tijdens naoorlogs afgraven van de puinresten schijnen vele lichamen geborgen te zijn van soldaten die door de explosie levend begraven werden. Wellicht hebben zich toch vluchtende Duitsers in de tunnel bevonden in de chaotische momenten van de explosie.

De tunnel nu

Als we de plaats van het tunnelongeluk nu bezoeken wijst niets er op dat er ooit een spoortunnel is geweest. Na de Eerste Wereldoorlog is de hoogte waar de tunnel doorheen liep geheel afgegraven, en vormt nu een insnijding in het landschap. De spoorlijn zelf is tot in de zeventiger jaren van de vorige eeuw in bedrijf gebleven, totdat hij definitief buiten gebruik werd gesteld. Van de spoorlijn resteert alleen nog het ballastbed, dat dienst doet als wandel- en fietspad. Enkele overgroeide bielzen langs de kant, een enkele seinpaal, en stukjes spoorstaaf bij de vroegere spoorwegovergangen waar later eenvoudigweg overheen is geasfalteerd, zijn het bewijs dat er echt een spoorlijn gelopen heeft.

tunnelplek

Plaats van de tunnel in 2004. Geen spoor meer van terug te vinden.

Als we de oude spoorlijn vanuit Somme-Py oostwaarts volgen, in de richting van Manre, komen we na 3,5 kilometer op de plaats waar de tunnel geweest moet zijn. Niet eens zo heel hoge wanden rijzen links en rechts van het pad op. Er is veel fantasie voor nodig om de tunnel te projecteren. Men vraagt zich af waarom er ooit een tunnel gemaakt is. De hoogteverschillen in het terrein zijn zo op het eerste gezicht te gering om de bouw ervan te rechtvaardigen.

We kunnen verder lopen in de richting van Manre. We lopen dan evenwijdig aan de noordgrens van Camp de Suippes, dat aan onze rechterhand ligt, verscholen achter een talud. Dit talud moet tijdens de oorlog over de gehele afstand volgebouwd geweest zijn met bouwwerken van velerlei aard: onderkomens, schuilplaatsen, keukens, bureaus, verbandposten, enz.

hospitaal

Duitse hospitaalbunker, in het talud gebouwd langs het oude spoortracé

hospitaal binnen

Hospitaalbunker, binnen. Enkele grote ruimten voor het verzorgen van de gewonden

 

 

Eén enkel betonnen bouwwerk is er van overgebleven, een kilometer of vier voor Manre. Het is een vrij grote hospitaalbunker, met de typische kenmerken die bij een dergelijk bouwwerk horen. Een voorgalerij over de hele lengte, met grote raamopeningen. Daarachter meerdere grote ruimtes, en in de achterwand, de kant die in het talud gebouwd is, een aantal in de krijtrotsen weglopende gangen waarvan in sommige nog oud stutwerk aanwezig is.

galerij hospitaal

Een voorgalerij over de volledige lengte van het bouwwerk.

hospitaal gangen

Achterin de bunker zijn gangen in de krijtbodem gegraven

 

 

 

 

 

Het is misschien deze hospitaalbunker geweest waar Hanns Trautner terugkeerde na zijn mislukte tocht als ordonnans naar Infanterieregiment 4. De spoorlijn is in het landschap verder te volgen tot Challerange, dat in de oorlog een belangrijk verkeersknooppunt voor de sector is geweest, en waar het spoor aantakte op een noord-zuid verbinding.

De GPS coördinaten van de genoemde objecten:
Tunnel N 49° 14,591′ E 4° 37,216′
Bahnhof Tunnel N 49° 14,507′ E 4° 36,442′
Hospitaal N 49° 14,811′ E 4° 38,163′

Klik hier voor een Google Earth kmz-bestand met de drie waypoints

bronnen:

KretschmannWilhelm Kretzschmann, Die Wiederherstellung der Eisenbahnen auf dem westlichen Kriegsschauplatz, Mittler, Berlin 1922.
Eduard Schneider, Reserve-Infanterie-Regiment 36 – 4 Jahre Westfront, Winkler, Eisleben 1930.
Martin Reymann, Das Infanterie-Regiment von Alvensleben (6.Brandenbg.) Nr.52 im Weltkriege 1914/1918, Stalling, Berlin 1923.
Emil Hünicken, Kriegsgeschichte des Königlich Preußischen Reserve-Infanterie-Regiments Nr.72, Sporn, Zeulenroda 1929.
Curt Wunderlich, Fünfzig Monate Wehr im Westen, Geschichte des Reserve-Infanterie-Regiments Nr.66, Winkler, Eisleben 1939
W.Buhr, Die Geschichte des I.Westf. Pionier Bataillons Nr.7 und seiner Kriegsverbände im Weltkriege 1914/18, Stalling, Oldenburg 1938.
Kgl.Preuß. Magdeburgisches Pionier-Bataillon Nr.4 1914-1918, Sporn, Zeulenroda, 1935.
Josef Heimberger, Das Königlich Bayerische Landsturm-Infanterie-Bataillon Schweinfurt (II.B.19), Bayer.Kriegsarchiv München 1923.
v.Grüter, Lorenz, Kirch, Schede, Das 2.Badische Grenadier-Regiment Kaiser Wilhelm I. Nr.110 im Weltkriege 1914-1918, Stalling, Oldenburg 1927.
Lennartz, Geschichte des badischen Reserve-Infanterie-Regiments 240, Sporn, Zeulenroda
SHD Vincennes, JMO van het 1e BCP, akte 26 N 815/6
BA/MA Freiburg, akte 50.I.D. PH 81-36
HSA Stuttgart, bestand M200, Bü 155
Hanns Trautner, Die Eisenbahn-Pioniere im Weltkrieg, in: Krieg auf Schienen, Berlin 1941
Andreas Knipping, Eisenbahnen im Ersten Weltkrieg, Freiburg 2004
José Banaudo, Trains Oublies, Editions du cabri, Breil-sur-Roya 1982

> Terug naar het begin

Bewaren

Comments are closed.